De basis van deze compositie wordt gevormd door een typisch toccata-idioom, namelijk snelle (vaak repeterende) noten zoals die in de eerste maten van het stuk klinken.
Maar even belangrijk in het werk is de suggestie van "over de kop gaan". Zo worden bijvoorbeeld de repeterende noten van het begin onderbroken door een pianoakkoord, steeds hardnekkiger tot het gevoel ontstaat dat het niet meer vol te houden is. Een ander voorbeeld daarvan is een canon in datzelfde obsessieve ritme die zichzelf zo achternajaagt dat het bijna wel uit de rails moet lopen.
Tegenover dit hektische gegeven staat dan bij wijze van contrast een mooie romantische melodie, maar ook hier geldt dat de spanning van deze melodie door het herhalen zover wordt opgevoerd dat hij in hysterie "over de kop gaat".
Na expostie van deze gegevens volgt een reprise waarin beide hoofdthema’s niet alleen na elkaar maar ook tegelijk klinken.
Het werk is opgedragen aan Reinier Reijngoud die er op 29-3-1997 de première van gaf met de componist aan de piano.